Het Gekwetste Gewest

STUKKEN
ACTOREN
WETGEVING
ARCHIEFSCHEMA

situering
partners
ruimerproject
methodologie
bibliografie
contact
23-10-1918
Vaststellen en ramen van de schade uit de oorlog voortspruitend

'Wetbesluit betreffende het vaststellen en het ramen van de schade uit de oorlog voortspruitend' - Belgisch Staatsblad, 24-26/10/1918, blz. 862-877.

SITUERING:
Deze wet legde nog tijdens de oorlog de werking vast van de rechtbanken en hoven voor oorlogsschade, die werden ingericht om de schadedossiers van de geteisterden, zowel particulieren als overheden (zie art. 2), te behandelen. Ze was van toepassing op onroerende en roerende goederen en op personen.
In elk gerechtelijk arrondissement werd een rechtbank opgericht (zie art. 3), die in elke gemeente van haar gebied kon zetelen (zie art. 4). Een rechtbank bestond uit een of meerdere kamers naargelang nodig bleek (zie art. 6).  Per kamer stelde de regering, in de persoon van de Minister van Financiën, een of meerdere staatscommissarissen aan, die de aanvragen voor schadevergoeding als eerste moesten beoordelen (zie art. 13 en het Verslag aan de Koning dat aan de wettekst voorafgaat, blz. 864).
De geteisterde diende zijn aanvraag in tweevoud in bij de gemeente (zie art. 27 en art. 32), door middel van het formulier ‘Aanvraag tot Vaststelling en Raming van Schade’. Er waren verschillende formulieren naargelang de soort schade waarvoor men vergoeding vroeg (zie besluit ‘Vorm der aanvraag tot vaststelling en raming van oorlogsschade’).
De burgemeester maakte de aanvragen met bijhorende bewijsstukken over aan de voorzitter van de rechtbank (zie art. 33). Die bezorgde ze in tweevoud aan een staatscommissaris en gaf hem de opdracht om het dossier te onderzoeken en indien mogelijk tot een overeenkomst te komen met het slachtoffer (zie art. 34). Deze regeling in der minne werd daarna bekrachtigd door de rechtbank (zie art. 36).
Indien het binnen een bepaalde termijn niet gelukt was om een overeenkomst te sluiten, werden beide partijen, namelijk het slachtoffer en de staatscommissaris als vertegenwoordiger van de regering, opgeroepen om voor de rechtbank te verschijnen. De uitnodiging daartoe gebeurde per aangetekende brief van de griffier van de rechtbank (zie art. 35). Het slachtoffer kon zich voor de rechtbank laten vertegenwoordigen of bijstaan. Als de persoon in kwestie geen advocaat was, was daarvoor een volmacht nodig (zie art. 38).
De minuten van de uitspraak van de rechtbank werden door de griffier bezorgd aan het slachtoffer. Ze bevatten de identificatie van de aanvrager en de staatscommissaris, een beknopte inhoud van de eis, een considerans en de eigenlijke uitspraak (zie art. 50). Het slachtoffer had vervolgens een maand de tijd om beroep aan te tekenen bij het hof voor oorlogsschade (zie art. 19 en art. 52).
De wet van 23/10/1918 legde de basis vast van de rechtspleging in verband met de oorlogsschadevergoeding. De wet van 10/05/1919 zou hierop later voortbouwen en de financiële afhandeling regelen van de uitbetaling van de schadevergoeding.


SELECTIE VAN RELEVANTE ARTIKELS:
HOOFDSTUK I: Algemene schikkingen

Art. 1: Onder voorbehoud van de te nemen schikkingen bij een latere wet, voor wat betreft de herstelling van de oorlogsschade, zal er, op de bij dit wetbesluit voorgeschreven wijze, worden overgegaan tot het vaststellen en het [ramen] van de schade aan goederen en tot het vaststellen van de schade aan personen.
Art. 2: Worden beheerd door dit wetbesluit:
I – Voor wat betreft de schade veroorzaakt aan goederen. De stellige, stoffelijke en rechtstreekse schade, veroorzaakt door de oorlog, in België, aan roerende of onroerende goederen, toebehorend, zonder onderscheid van nationaliteit, aan particulieren, vennootschappen, openbare inrichtingen, gemeenten en provincies.
(…)

HOOFDSTUK II: Over de rechterlijke ordening

Afdeling A: Over de rechtbanken van oorlogsschade

Art. 3: Er wordt tijdelijk, in de hoofdplaats van elk rechterlijk arrondissement, een rechtbank van oorlogsschade opgericht. Het gebied van deze rechtbank is dit van de rechtbank van eerste aanleg. (…)
Art. 4: De rechtbanken voor oorlogsschade kunnen in al de gemeenten van hun gebied zetelen.
Art. 5: Er is in elke rechtbank voor oorlogsschade een voorzitter die in het bijzonder belast is met het verdelen van de gedingen en het verzekeren van de goede gang van de werkzaamheden.
Art. 6: Elk van de rechtbanken voor oorlogsschade bestaat uit een of meer kamers waarvan het aantal door de Koning wordt vastgesteld volgens de eisen van de dienst.
Art. 7 – 8 – 9 – 10
Art. 11: Er [is] in iedere rechtbank voor oorlogsschade een griffier (…)
Art. 12
Art. 13: De regering duidt bij elk van de kamers van de rechtbank voor oorlogsschade een of meer Staatscommissarissen aan, belast met het beoordelen van de aanvragen en met het doen gelden voor de rechtbanken van de beslissingen die het algemeen belang vergt.
Art. 14 – 15 – 16 – 17 – 18

Afdeling B: Hoven voor oorlogsschade

Art. 19: In elke plaats waar een hof van beroep zetelt, wordt tijdelijk een Hof voor oorlogsschade ingesteld, zijn rechtsgebied is dit van het hof van beroep. (…)
Art. 20 – 21 – 22 – 23 – 24 – 25 – 26

HOOFDSTUK III: Over de wijzen van rechtspleging bij de hoven en rechtbanken

Art. 27: In elke provincie wordt bij een besluit van de Gouverneur de datum bepaald met ingang van dewelke de aanvragen gedaan zullen worden. Deze aanvragen zullen in tweevoud overhandigd worden aan, of bij aangetekende brief verzonden op het adres van de burgemeester eensluidend volgende schikkingen.
Art. 28
Art. 29: In de aanvragen betreffende schade aan goederen staan de nauwkeurige opgave en de afzonderlijke raming van elke soort schade. Deze soorten schade zullen bij koninklijk besluit worden bepaald. Voor elke soort schade dient er door de geteisterde in het bijzonder opgave gedaan van:
A) De te gelde te maken waarde op de dag vóór de mobilisatie en de waarde die de goederen toen in hun staat van vernieling of beschadiging zouden gehad hebben.
B) De som die op de dag vóór de mobilisatie nodig zou geweest zijn om de beschadigde of geteisterde goederen herop te bouwen of in vorige staat te brengen.
In deze laatste onderstelling zal hij duidelijk de meerwaarde van de op die wijze terug in staat gestelde goederen opgeven, gelet op hun staat van de dag vóór de mobilisatie, omdat zij toen niet meer nieuw waren.
(…)
Bij elke aanvraag zijn al de bewijsstukken gevoegd.
De aanvraag vermeldt de vergoeding die de belanghebbende hetzij van de Staat, hetzij van derde personen al zou ontvangen hebben, en ook de reden van de uitbetaling van die vergoeding. In het tegenovergestelde geval bevat zij de bevestiging dat de belanghebbenden geen vergoeding hebben ontvangen of geen recht hebben om een andere aanvraag tot schadeloosstelling in te dienen.
Art. 30 – 31
Art. 32: De aanvragen worden gedaan, tenzij men gewettigd verhinderd is, binnen de drie maand, vanaf de datum in het besluit voorzien in artikel [27], te weten:
Voor andere goederen dan schepen of vlottend tuig en de voorwerpen aan boord, aan de burgemeester van de gemeente van de plaats waar de schade werd aangericht. Als een bedrijf of een onroerend goed zich over verschillende gemeenten uitstrekt, aan de burgemeester van de plaats waar de schade de gewichtigste is.
(…)
De burgemeester levert een ontvangstbewijs van de aanvragen af.
Art. 33: De burgemeesters maken (…) de aanvragen en de bewijsstukken aan de voorzitter van de rechtbank voor oorlogsschade over, die ze in tweevoud aan de Staatscommissaris bezorgt.
Art. 34: Zodra de dossiers hem toegekomen zijn, geeft de voorzitter van elke kamer aan de Staatscommissaris voldoende tijd om er kennis van te nemen en om de zaak te onderzoeken. Hij mag die tijd verlengen.
Art. 35: Indien men bij het verstrijken van de bepaalde termijn niet tot een overeenkomst is gekomen, roept de voorzitter van elke kamer de partijen op voor de rechtbank, die tracht tot een vergelijk te komen. De oproeping gebeurt per aangetekende brief van de griffier, verzonden minstens vijf volledige dagen voor het verhoor. Deze brief vermeldt plaats, dag en uur van de verschijning.
Art. 36: Elke overeenkomst moet bekrachtigd worden door de rechtbank. De rechtbank mag daaraan voorafgaand alle onderzoeksmaatregelen voorschrijven die ze nodig acht.
Vooraleer over de rechterlijke bekrachtiging beslist wordt, worden de (…) overeenkomsten ter griffie van de rechtbank voor oorlogsschade neergelegd, gedurende vijftien dagen, binnen welke termijn het aan elke meerderjarige Belgische burger is toegelaten er kennis van te nemen (…). Die derde personen zijn gemachtigd een verzoekschrift te richten aan de rechtbank, al dan niet met bewijsstukken, met opmerkingen over de wezenlijkheid en de raming van de schade in de overeenkomst.
Art. 37: Bij gebrek aan een gerechtelijk bekrachtigde overeenkomst worden de geteisterde en de Staatscommissaris gedagvaard voor de rechtbank van oorlogsschade, op de manier zoals voorzien in artikel 35.
Art. 38: De geteisterde heeft het recht om zich te laten vertegenwoordigen of bijstaan voor de rechtbank door een advocaat of een door de rechtbank aanvaarde persoon. (…) Als die mandataris geen advocaat is, moet hij drager zijn van een volmacht op ongezegeld papier. Het geven van de volmacht mag worden vermeld onderaan de oproepingsbrief.
Art. 39: De rechtbank neemt de geteisterde en de Staatscommissaris in verhoor. (…) De rechtbank mag alle personen verhoren, die een bijzondere bevoegdheid hebben voor de raming van schade, en alle onderzoeksmaatregelen bevelen die ze nodig acht. Ze mag zich ter plaatse begeven of een of meer van haar leden afvaardigen. In dat geval vergezelt de griffier de commissarissen en maakt het proces-verbaal van het onderzoek op. (…)
Art. 40 – 41 – 42 – 43 – 44
Art. 45: De deskundigen leggen de eed af voor de voorzitter of een van de leden van de rechtbank. De akte van eedaflegging vermeldt de termijn waarbinnen het verslag dient neergelegd. Als het verslag niet binnen die termijn is neergelegd, verliezen de deskundigen alle recht op betaling voor hun werkzaamheden en de voorzitter van de rechtbank duidt onmiddellijk andere deskundigen aan (…).
Art. 46: Bij dringende gevallen mag de rechtbank alle maatregelen treffen die ze nodig acht om te beletten dat aan de bestaande toestand van de plaats verandering wordt gebracht en de zaken die aanleiding geven tot bezwaar weggenomen, verplaatst of beschadigd worden.
Art. 47 – 48 – 49
Art. 50: De minuten van de uitspraken worden door de griffier opgetekend op het audiëntieblad en ondertekend door de voorzitter en de griffier. Zij bevatten de namen van de leden van de rechtbank die uitspraak hebben gedaan, naam, beroep en woonplaats van de geteisterde en van de Staatscommissaris, de beknopte inhoud van de eis, het considerans en de eigenlijke tekst van de uitspraak.
Art. 51: De griffier betekent aan de geteisterde en aan de Staatscommissaris, per aangetekende brief, met ontvangstbewijs, de uitspraak van de rechtbank, en waarschuwt hen dat ze een maand de tijd hebben om beroep aan te tekenen, vanaf de dag dat ze de betekening ontvangen.
Art. 52: Het recht op beroep behoort zowel aan de geteisterde als aan de Staatscommissaris. (…)
Art. 53 – 54 – 55 – 56
Art. 57: Geen verzet is ontvankelijk tegen de besluiten van de hoven voor oorlogsschade. (…)

HOOFDSTUK IV: Over de vaststelling en raming van de schade

Art. 58: De rechtbanken voor oorlogsschade stellen de echtheid van de aangegeven schade aan goederen vast en maken voor elke soort schade een afzonderlijke raming op.
Art. 59: De schade aan goederen wordt geraamd volgens de grondslagen voorzien in artikel 29.
Art. 60

HOOFDSTUK V: Verschillende schikkingen

Art. 61 – 62
Art. 63: (…) Het college van burgemeester en schepenen maakt, bij het verstrijken van de tijd vermeld in alinea 1 van artikel 32, de staat van de berokkende schade op waarover geen aanvraag werd neergelegd. (…)
Art. 64 – 65 – 66 – 67 – 68 – 69 – 70 – 71 – 72
Art. 73: De onkosten van de rechtspleging tot vaststelling en raming van oorlogsschade (…) vallen ten laste van het Rijk. (…)
Art. 74 – 75
Art. 76: De gemeenten waar de hoven of rechtbanken voor oorlogsschade zetelen, leveren de lokalen die nodig zijn om zittingen te houden en voor de dienst van de griffie.