Het Gekwetste Gewest

STUKKEN
ACTOREN
WETGEVING
ARCHIEFSCHEMA

situering
partners
ruimerproject
methodologie
bibliografie
contact
10-05-1919
Herstel van schade voortspruitend uit oorlogsfeiten

'Wet op het herstel van schade voortspruitend uit oorlogsfeiten' - Belgisch Staatsblad, 5/06/1919, blz. 2505-2515

SITUERING:
Deze wet zette de rechtsgang van de oorlogsschadevergoeding uiteen, nadat eerder het gerechtelijk apparaat voor het herstel was vastgelegd door de wet van 23/10/1918. 
Deze wet behandelt uitvoerig het principe van de wederbelegging. Hiermee werd een bijkomende schadevergoeding bedoeld, gelijk aan het verschil tussen de waarde van het goed in nieuwe staat op het moment dat de oorlog uitbrak en de kosten van herstelling of heropbouw, ter compensatie van de gestegen prijzen. Het belang van deze vergoeding werd groter naarmate de kloof tussen de prijzen van voor en na de oorlog toenam. Aan die vergoeding was echter de voorwaarde gekoppeld dat de geteisterde het geld moest gebruiken om de schade te herstellen en niet bijvoorbeeld om in iets anders te investeren. (zie art. 15) De geteisterde moest schriftelijke verklaringen afleggen op het moment dat hij zich tot wederbelegging verbond en nadat hij ze was nagekomen (zie art. 21). De rechtbank bepaalde de termijn waarbinnen de heropbouw voltooid moest zijn en vaardigde maatregelen uit om de controle op de wederbelegging te verzekeren. Als bleek dat die niet nageleefd werd, werd de bijkomende vergoeding weer ingetrokken en moest de geteisterde het ontvangen bedrag terugbetalen (zie art. 22).
De geteisterde mocht een voorschot op zijn oorlogsschadevergoeding vragen, gelijk aan de waardevermindering van het goed sinds de oprichting ervan (zie art. 15). Het bedrag van dit voorschot werd samen met de schadevergoeding, de aanvullende vergoeding tot wederbelegging en de voorwaarden voor de voorschotten en de wederbelegging, vermeld in het beschikkend gedeelte van de beslissing van de rechtbank, dat vervolgens door de griffier ter kennis gebracht werd van de Minister van Staathuishoudkundige Zaken (zie art. 43 en 44).
Binnen de maand na de eindbeslissing van de rechtbank kreeg de geteisterde van het Ministerie van Financiën een titel op naam toegezonden met het bedrag van de verleende vergoeding. De titel vermeldde de voorwaarden voor de wederbelegging en de voorschotten. (zie art. 49) De vergoedingen brachten een intrest op van 5% vanaf 1/01/1920 of vanaf de dag van de schade als die later was toegebracht (zie art. 50).
De oorlogsschadevergoedingen konden verkocht worden of in pand gegeven bij het Bureel voor Afstand en Inpandgeving, op voorwaarde dat het bedrag dat men in ruil ervoor ontving, besteed werd aan het herstel of de heropbouw van beschadigde, vernielde of ontvreemde goederen. (zie art. 55, 56 en 64)


SELECTIE VAN RELEVANTE ARTIKELS:
Art. 1

HOOFDSTUK I: Schade vatbaar voor herstel
Art. 2: Buiten het herstel dat door bijzondere wetten zal worden geregeld, is voor herstel vatbaar de zekere en stoffelijke schade die voortkomt uit het rechtstreeks nadeel dat op Belgisch grondgebied aan roerende en onroerende goederen werd toegebracht.
(…)

Art. 3 – 4

HOOFDSTUK II: Rechthebbenden op herstel
Art. 5: Alleen natuurlijke personen en rechtspersonen van Belgische nationaliteit maken aanspraak op de voordelen van deze wet.

Art. 6 – 7 – 8 – 9 – 10 – 11 – 12

HOOFDSTUK III: Bedrag der vergoedingen
Art. 13: De schade wordt vergoed op basis van de waarde van het goed op 1 augustus 1914 of op de dag van de verkrijging of de vervaardiging ervan, als die na deze datum plaatsvond.
Er wordt wel rekening gehouden met de waardevermeerdering of waardevermindering (…) op de dag dat de schade zich voordeed.
Als goederen heropgericht of hersteld werden en later opnieuw vernietigd of beschadigd, dan zijn in het herstel ook de kosten van de eerste herstelling of heroprichting inbegrepen.

Art. 14: De benadeelde die als gevolg van de schade genoodzaakt werd zijn woning te verlaten, heeft recht op een bijkomende vergoeding.
Deze wordt, vanaf de dag van de schade, berekend aan 5 % per jaar van de waarde van de meubelen en van het door hem bewoonde vastgoed, als hij er eigenaar van was.

Art. 15: Als de wederbelegging door de rechtbank wordt aangenomen of opgelegd, ontvangt de rechthebbende, naast de vergoeding voorzien in artikel 13, een aanvullende vergoeding gelijk aan het verschil tussen de waarde van het goed in nieuwe staat op 1 augustus 1914 en de kosten van herstelling of heroprichting.
(…)
Als de benadeelde dat vraagt, wordt hem een voorschot verleend, gelijk aan de waardevermindering wegens verval, die in aanmerking werd genomen in de schatting gedaan overeenkomstig artikel 13. De voorwaarden voor de interest en de terugbetaling van die voorschotten worden bij koninklijk besluit bepaald. (…)
Als de benadeelde geen aanspraak maakt op het recht in de vorige paragraaf bedoeld, dan heeft hij voldaan aan de verplichting tot wederbelegging, van zodra hij het volledige bedrag van de toegekende vergoedingen besteed heeft aan het heroprichten en opnieuw in orde brengen van het goed.
De rechtbank bepaalt, met inachtneming van de voorwaarden aangenomen of opgelegd om de wederbelegging uit te voeren, de tijdstippen waarop de als voorschot of vergoeding toegekende sommen aan de geteisterde betaald zullen worden.

Art. 16: De onroerende wederbelegging moet gebeuren in de gemeente, in onroerende goederen die dezelfde of een soortgelijke bestemming hebben.
De rechtbank voor oorlogsschade kan echter de toestemming geven:
1) tot wederbelegging in een andere gemeente
2) indien de onroerende goederen waarvoor herstel wordt gevraagd, afhangen van een nijverheids-, handels- of landbouwonderneming, tot vervanging van de in bedrijf genomen onderneming van minstens gelijk economisch belang

Art. 17: De hoven en rechtbanken voor oorlogsschade (…) kunnen:
1) de voordelen verbonden aan de wederbelegging ontzeggen
2) de gehele of gedeeltelijke wederbelegging als voorwaarde stellen voor de toekenning van de vergoeding
(…)

Art. 18 – 19 – 20

Art. 21: Als de benadeelde de wederbelegging al heeft uitgevoerd of zich ertoe verplicht heeft, moet hij dit schriftelijk verklaren.
Als die verklaring niet gebeurde in de aanvraag tot herstel, moet ze ter griffie van de rechtbank worden neergelegd binnen de zes maanden na het eindvonnis.
(…)

Art. 22: De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen de herstelling moet gebeurd zijn, de heropriching voltooid en het bedrijf hernomen. Ze schrijft alle nodige maatregelen voor om de controle van de wederbelegging te verzekeren.
Als de voorwaarden voor de wederbelegging niet worden nageleefd, dan wordt de benadeelde door de rechtbank voor oorlogsschade (…) en op vordering van de Staat vervallen verklaard van het voorrecht van de wederbelegging.
Het staat haar echter vrij door haar gepast geacht uitstel te verlenen, opdat de partij die zich verweert haar verplichtingen kan naleven.
Bij het uitspreken van de vervallenverklaring veroordeelt ze de rechthebbende tot terugbetaling, zowel de hoofdsom als de interesten, van de sommen die hem voor de wederbelegging waren uitgekeerd.

Art. 23: Voor de burgerlijke gebouwen en de gebouwen van de eredienst bestaat de vergoeding uit de som die nodig is om een gebouw op te richten van gelijke aard, met gelijke bestemming, van minstens gelijk belang en minstens even duurzaam als het vernielde gebouw.
De rechtbank doet pas uitspraak nadat de Koninklijke Commissie voor monumenten advies heeft uitgebracht.

Art. 24: Als die gebouwen een nationaal historisch of artistiek belang vertegenwoordigen, kan de Minister van Wetenschappen en Kunsten, op eensluidend advies van dezelfde commissie en na de betrokken besturen te hebben gehoord, de herbouwing ervan in zijn vroegere staat, of het behouden en verstevigen van de puinen voorschrijven.
De bijkomende uitgaven hiervoor zijn ten laste van de staat.
(…)

Art. 25

Art. 26: De door deze wet toegekende vergoedingen mogen niet samen worden uitgekeerd met een andere vergoeding voor dezelfde schade, behalve de sommen die verleend werden voor het bouwen van voorlopige schuilplaatsen.
De sommen die al werden ontvangen voor dezelfde schade, worden van deze vergoedingen afgetrokken.
(…)

HOOFDSTUK IV: Andere wijze van herstel
Art. 27: De Staat kan als herstel vaste goederen of meubels aanbieden, die van gelijke soort en waarde zijn als de beschadigde, vernielde, opgeëiste of weggenomen goederen.
De aanvaarding van dit aanbod moet door de rechtbank worden goedgekeurd. Het goed waarvoor herstel werd aangevraagd, wordt dan eigendom van de Staat.

Art. 28: Bij onteigening van algemeen nut van een onroerend goed, waarvoor een op deze wet gebaseerde aanvraag tot herstel kan worden ingediend, moeten de herstellingen waarop de belanghebbende recht had inbegrepen zijn in de vergoedingen.
Als de onteigende goederen verkocht worden, hebben de vroegere eigenaars het recht van voorkeur om hun goed opnieuw aan te kopen.
(…)

Art. 29: Als het weer in orde brengen moet gebeuren volgens een plan of volgens door de bevoegde openbare machten voorgeschreven maatregelen voor het heropbouwen van onroerende goederen, dan is het recht op herstel afhankelijk hetzij van de aanvaarding, zonder vergoeding, van dit plan of deze maatregelen, hetzij van de overlating van het goed aan de Staat.
(…)

Art. 30

HOOFDSTUK V: Rechten van de medeëigenaars en van derden
Art. 31 – 41

HOOFDSTUK VI: Rechtsgeding tot herstel
Art. 42: De vergoedingen worden bepaald door de rechtbanken en hoven voor oorlogsschade, ingesteld ter uitvoering van de besluitwet van 23 oktober 1918 over de vaststelling en de begroting van de door oorlogsfeiten veroorzaakte schade.
(…)

Art. 43: De hoven en rechtbanken voor oorlogsschade bepalen het bedrag van de vergoeding door een afzonderlijke beslissing voor iedere soort schade, omschreven in het koninklijk besluit ter uitvoering van artikel 20 van de besluitwet van 23 oktober 1918.
In het beschikkend gedeelte van hun beslissing vermelden ze afzonderlijk de vergoeding tot herstel, de aanvullende vergoeding tot wederbelegging, de eventuele voorschotten toegekend volgens artikel 15 en de voorwaarden voor de wederbelegging en de voorschotten.

Art. 44: Van zodra de beslissing, die een vergoeding of een tegemoetkoming bij voorraad vaststelt, in kracht van gewijsde is gegaan, geeft de griffier van de rechtbank of het hof voor oorlogsschade, daar per aangetekende brief kennis van aan de Minister van Staathuishoudkundige Zaken en deelt hem ook het beschikkende gedeelte van de beslissing mee. 

HOOFDSTUK VII: Tegemoetkomingen bij voorraad
Art. 45 – 48

HOOFDSTUK VIII: Betaling der vergoeding
Art. 49: Binnen de maand na de eindbeslissing van het hof of de rechtbank voor oorlogsschade wordt aan de rechthebbende door toedoen van de Minister van Financiën een titel overhandigd van het bedrag van de vergoedingen door de beslissing verleend.
De titel vermeldt de voorwaarden die de beslissing en de wet stellen voor de wederbelegging en de voorschotten.
Art. 50: De vergoedingen brengen een interest op van 5 % vanaf 1 januari 1920 of vanaf de dag van de schade als die later werd toegebracht.
Art. 51: De titel is op naam. De schuldvordering die de titel vertegenwoordigt kan slechts afgestaan of in pand gegeven worden op de hierna bepaalde manieren.
Art. 52: De voorgoed of bij voorraad verleende vergoedingen mits wederbelegging en de voorschotten worden betaald op de tijdstippen vastgesteld door de beslissingen van de rechtbanken voor oorlogsschade, overeenkomstig artikel 15.

Art. 53: In de overige gevallen worden het tijdstip en de wijze van betaling bij koninklijk besluit vastgesteld.

Art. 54

HOOFDSTUK IX: Afstand en inpandgeving
Art. 55: Kunnen afgestaan en in pand gegeven worden:
1) Het recht op herstel, geregeld door deze wet
2) De tegemoetkomingen bij voorraad en de vergoedingen die voorgoed zijn toegekend

Art. 56: Het recht op herstel (…) [kan] slechts afgestaan of in pand gegeven worden onder voorwaarde dat de prijs van de afstand of de geleende som gebruikt wordt tot herstel, heropbouw of vervanging van beschadigde, vernielde, opgeëiste of ontvreemde goederen.

Art. 57

Art. 64: De inrichting van het hoofdbureel voor afstand en inpandgeving van schuldvorderingen voor herstel van oorlogsschade wordt bij koninklijk besluit geregeld.

HOOFDSTUK X: Hoge Raad voor Oorlogsschade
Art. 65: Er wordt een hoge raad voor oorlogsschade ingesteld. Hij is ermee gelast:
1) na te gaan welk gebruik de geteisterden maken van het geld dat hun ter beschikking wordt gesteld om het goed te herstellen
2) alle maatregelen voor te stellen om de toepassing van de wet te verzekeren, in het bijzonder alle maatregelen die het door de geteisterden geleden nadeel verzachten of het herstel bespoedigen. De groepering van de geteisterden bevorderen met het doel de herstelling zo voordelig mogelijk te laten gebeuren. Ervoor zorgen dat de geteisterden al de bruikbare materialen kunnen gebruiken voor het herstel.

Art. 66 – 67

Art. 68: De Koning kan daar bovenop provinciale commissies voor oorlogsschade instellen. De samenstelling en de werking ervan worden door hem geregeld.

HOOFDSTUK XI: Onderscheidene bepalingen
Art. 69: Het instellen van een eis tot herstel bij de rechtbank voor oorlogsschade brengt met zich mee dat men afziet van elke vordering tegen de Staat en de openbare besturen voor dezelfde feiten of schade.
(…)

Art. 70 – 72

Art. 73: Zij die hun eis tot herstel niet binnen de termijn van zes maanden na de bekendmaking van deze wet instellen, verliezen elk recht op vergoeding.
De rechtbanken voor oorlogsschade kunnen dit verval wel intrekken gedurende een tweede termijn van zes maanden.

Art. 74 – 76

Art. 77: De beslissingen door hoven of rechtbanken voor oorlogsschade uitgesproken vóór de bekendmaking van deze wet, moeten overeenkomstig haar bepalingen herzien en aangevuld worden.
De belanghebbenden en de Staatscommissaris worden daartoe binnen de maand na de bekendmaking van de wet opgeroepen (…) om hun opmerkingen en besluiten te doen gelden voor het hof of de rechtbank die de beslissing uitgesproken heeft. De oproeping gebeurt door de griffier (…)

Ondertekend door:
Koning Albert
Minister van Staathuishoudkundige Zaken Henri Jaspar
Minister van Justitie E. Vandervelde