Het Gekwetste Gewest

STUKKEN
ACTOREN
WETGEVING
ARCHIEFSCHEMA

situering
partners
ruimerproject
methodologie
bibliografie
contact
15-11-1919
Herstelling der verwoeste streken

'Wet op de herstelling der verwoeste streken' - Belgisch Staatsblad, 30/11/1919, blz. 6573-6574

SITUERING:
Deze wet schiep voor eigenaars van landbouwgronden de mogelijkheid dat de staat zich tijdelijk in hun plaats stelde om hun door de oorlog vernietigde gronden te herstellen. Eigenaars lieten dan ‘de bezetting van hun gronden opeisen’, wat inhield dat ze eigenaar bleven maar de staat de toestemming gaven om hen tijdelijk te vervangen tijdens de periode van herstel. Op die manier waren ze ontlast van de toch wel aanzienlijke opdracht en behielden tegelijk het voordeel van de stijgende waarde van de grond.
Wie niet van deze regeling gebruik wenste te maken, kon er voor kiezen om zijn grond vrijwillig af te staan en te verkopen. Dat moest dan gebeuren binnen de maand na de bekendmaking van de schatting van het goed door een Scheidsrechterlijke Commissie (zie art. 5).
Tot slot mocht de eigenaar zijn grond ook op eigen initiatief herstellen. Bij elk van de regelingen behield de staat overigens het recht om de grond te onteigenen voor openbaar nut, zoals het heraanleggen van een weg.  
De wet was van toepassing op een afgebakend gebied van West-Vlaanderen (zie daarvoor het Koninklijk Besluit ‘Herstellen der verwoeste gronden. Omtrekken op dewelke de wet van 15 november 1919 toepasselijk is’ van 23/01/1920, Belgisch Staatsblad, 30/01/1920, blz. 749-750).  


SELECTIE VAN RELEVANTE ARTIKELS:
Art. 1: De bepalingen van deze wet betreffen het herstel van de landbouw of het productief maken van de gronden in de gewesten die door de oorlog werden verwoest.
Alle rechten op herstel van oorlogsschade verleend door de wet van 10 mei 1919 blijven gelden.
De grenzen van de gewesten waarop deze bepalingen van toepassing zijn, worden door de Koning bepaald binnen een termijn van drie maanden vanaf de afkondiging van de wet.

Art. 2: In de op die manier aangewezen streken kunnen de grondeigenaars op de wijze en onder de voorwaarden bepaald door deze wet:
Ofwel hun gronden zelf herstellen, behalve de in artikel 9 voorziene uitzondering en mits de herstellingswerken werden aangevangen binnen het tijdsbestek voorzien bij de koninklijke besluiten over de begrenzing
Ofwel hun gronden vrijwillig afstaan aan de staat
Ofwel de bezetting van hun gronden laten opeisen om ze opnieuw in bebouwbare staat te brengen
Ofwel hun gronden laten onteigenen op de verkorte wijze voorzien in artikel 8

Art. 3: De (…) verlaten gronden zullen per gemeente worden gerangschikt, naar hun waarde op 1 augustus 1914 en hun huidige waarde.
In elke gemeente zullen deze waarden worden vastgesteld, bij tussenkomst van de Staatscommissaris bij de rechtbank voor oorlogsschade, door het toedoen van een scheidsrechterlijke commissie, waarvan de inrichting en de werking door de Koning zullen worden geregeld.

Art. 4: Elke commissie gaat over tot een voorlopige raming, die aan de eigenaars wordt bekendgemaakt. Die hebben drie maanden de tijd om hun bezwaren mondeling of schriftelijk in te dienen. Eens die tijd verstreken, maken de commissies de eindraming op en geven er kennis van aan de eigenaars.

Art. 5: De binnen één maand aan de Minister van Landbouw behoorlijk bekendgemaakte aanvaarding van de door de commissie opgemaakte eindraming geldt, tegenover de staat, als een belofte van verkoop van het onroerend goed tegen de vastgestelde huidige waarde. De verkoopakte wordt verleden op verzoek van de meest gerede partij.

Art. 6: Bij gemis aan de hierboven voorziene aanvaarding, die als belofte van verkoop geldt, wordt de inbezitneming van de grond opgeëist bij eenvoudige betekening aan de eigenaar. De Minister kan ook de inbezitneming opeisen van gronden die nodig zijn tot het uitvoeren van de werken voorzien in artikel 9.
De opeising heeft nadere uitwerking tot bij koninklijk besluit wordt vastgesteld dat de reden ervan heeft opgehouden te bestaan.

Art. 7: Aan de eigenaars van de in bezit genomen gronden wordt jaarlijks een vergoeding verleend van 5% van de aan de gronden toegekende huidige waarde.

Art. 8: De regering is gemachtigd om over te gaan tot onteigening van algemeen nut, zonder het voorafgaandelijk onderzoek voorzien door de wet van 27 mei 1870 in te stellen. (…)

Art. 9: Zodra de waarde van de gronden voorgoed is vastgesteld, kan de regering de richting van de openbare wegen en waterlopen wijzigen, nieuwe banen aanleggen, gezondmakingswerken doen uitvoeren of overgaan tot de herkaveling van de gronden binnen de grenzen van de verwoeste gewesten. In dat laatste geval worden de gronden, met het oog op mogelijke ruilingen, in nieuwe kavels gelegd die van dezelfde aard en waarde zijn als de voorheen bestaande erven. Het verschil tussen de eigendommen waarvan de ruiling is voorzien, mag, tenzij met instemming van de belanghebbenden, de 5% niet overschrijden, zowel in oppervlakte als in waarde. Het waardeverschil wordt, in voorkomend geval, door de betaling van een opleggeld geregeld.

Art. 10: Het overeenkomstig artikel 6, 2de lid, genomen koninklijk besluit, waarbij wordt vastgesteld dat de opgeëiste gronden hersteld en terug in staat van bebouwing gebracht zijn, bepaalt de tijd waarbinnen de eigenaars de teruggave van hun gronden kunnen eisen of de toekenning van gelijkwaardige kavels die hun in ruil aangeboden zouden worden.

Art. 11: In geval van afstand overeenkomstig artikel 5 kan de geteisterde voor de rechtbank voor oorlogsschade bij wijze van vergoeding het verschil eisen tussen de waarde van zijn grond op 1 augustus 1914, (…) en de afstandsprijs.

Art. 12 – 15

Ondertekend door:
Koning Albert
Minister van Landbouw Baron Ruzette
Minister van Justitie E. Vandervelde