Het Gekwetste Gewest

STUKKEN
ACTOREN
WETGEVING
ARCHIEFSCHEMA

situering
partners
ruimerproject
methodologie
bibliografie
contact
Rechtbank voor Oorlogsschade

SITUERING:
Na WO I werden in ieder gerechtelijk arrondissement bijzondere rechtscolleges in het leven geroepen om uitspraak te doen over de oorlogsschadevergoedingen. De organisatie van deze tijdelijke Rechtbanken en Hoven voor Oorlogsschade viel onder de bevoegdheid van de Ministeries van Justitie, Binnenlandse Zaken en Economische Zaken. De rechtbanken konden in om het even welke gemeente van hun rechtsgebied zitting hebben, bestonden uit één of meerdere kamers en werden opgeheven nadat ze hun functie hadden volbracht.

Geteisterden dienden verzoekschriften tot schadeloosstelling in, waarna ze opgeroepen werden om voor de rechtbank te verschijnen. In een eerste zitting werd een verzoeningspoging gedaan tussen beide partijen, waarbij de staat vertegenwoordigd werd door de Staatscommissaris. Indien men niet tot overeenstemming kwam, deed de rechtbank een uitspraak over het bedrag van de schadevergoeding. De procedure voorzag in verschillende beroepsmogelijkheden en was gratis.

De Rechtbanken voor Oorlogsschade waren al gauw overbelast, wat de uitbetaling op de lange baan schoof. De regering kwam aan dit probleem tegemoet met de systemen van Heropbouw door de Staat en de Voorlopige Woningen, om zo het proces van de wederopbouw te versnellen. 

Staatscommissarissen en Hoofdstaatscommissarissen
Naast magistraten, die onder meer optraden als voorzitters van de oorlogsrechtbanken en aangesteld waren omwille van hun juridische kennis, werden ook Staatscommissarissen aangeduid, die in het gerechtelijk proces de staat vertegenwoordigden. Zij beoordeelden de schadeclaims en trachtten tot een minnelijke schikking met de geteisterde te komen, vooraleer de zaak voor de rechtbank kwam. Voor deze tijdelijke functie werden niet alleen advocaten gerecruteerd, maar ook bijvoorbeeld architecten en ingenieurs, en bij gebrek daaraan ook mensen met de meest uiteenlopende achtergronden, wat regelmatig tot kritiek leidde. De Hoofdstaatscommissaris coördineerde het werk van de Staatscommissarissen.

Scheidsrechtelijke Commissies
De Scheidsrechtelijke Commissies werden opgericht in uitvoering van de wet van 25/04/1920. Ze waren bedoeld om de rechtsgang te versnellen door het uitwerken van minnelijke schikkingen.

Inspecteurs voor de Wederbelegging
‘Wederbelegging’ of ‘remploi’ wijst op de correcte besteding van de schadevergoeding, namelijk aan de heropbouw van of de herstellingswerken aan het beschadigde goed. Wanneer de geteisterde zich hiertoe verbond, werd het bedrag van de schadevergoeding verhoogd met een bepaalde coëfficiënt. Inspecteurs voor de Wederbelegging controleerden of dat bijkomende toegekende geld juist werd besteed. 

PLAATS VAN DEZE ACTOR IN HET GEMEENTELIJK WEDEROPBOUWARCHIEF:
De gemeente fungeerde als doorgeefluik voor de schadedossiers van haar inwoners. In het gemeentearchief zijn dan ook reeksen terug te vinden, voornamelijk van overeenkomsten met Staatscommissarissen (volgens meerdere modellen, zoals T1, T2 en T4) en uittreksels van vonnissen. Verder veel briefwisseling, met Staatscommissarissen en Hoofdstaatscommissarissen, over de status van individuele dossiers, maar ook over de vooruitgang van de wederopbouw in het algemeen.


-Velle, Karel; Dhondt, Joëlle, Inventarissen van de archieven van de hoven en rechtbanken voor oorlogsschade in Vlaanderen (en rechtsopvolgers) (1919-1936), Rijksarchief Beveren, Inventarissen 59, Algemeen Rijksarchief, Brussel, 2001.
-Baillieul, Jean-Marie, ‘Recht op herstel? De Belgische regering staat op de rem bij het vergoeden van de geteisterden’, in: Baert, Koen e.a., Ieper, de herrezen stad, De Klaproos en In Flanders Fields Museum, Koksijde, 1999, pp. 21-66.
-Smets, G., ‘Les Régions Dévastées et la réparation des dommages de guerre’, in: La Belgique restaurée, étude sociologique publiée sous la direction de E. Mahaim, Lamertin, Brussel, 1926, pp. 73-139.
-Devos, ‘Des tribunaux et offices des dommages de guerre. Première partie’, in: L’Émulation, [jg. 41], 1921, nr. 4, pp. 50-55.